Deprecated: Using ${var} in strings is deprecated, use {$var} instead in /home/public/sites/www.voormaligonderzoekrk.nl/wp-content/plugins/updraftplus/class-updraftplus.php on line 996

Deprecated: Using ${var} in strings is deprecated, use {$var} instead in /home/public/sites/www.voormaligonderzoekrk.nl/wp-content/plugins/updraftplus/class-updraftplus.php on line 996

Deprecated: Using ${var} in strings is deprecated, use {$var} instead in /home/public/sites/www.voormaligonderzoekrk.nl/wp-content/plugins/updraftplus/class-updraftplus.php on line 1569

Deprecated: Using ${var} in strings is deprecated, use {$var} instead in /home/public/sites/www.voormaligonderzoekrk.nl/wp-content/plugins/updraftplus/class-updraftplus.php on line 2308

Deprecated: Using ${var} in strings is deprecated, use {$var} instead in /home/public/sites/www.voormaligonderzoekrk.nl/wp-content/plugins/updraftplus/class-updraftplus.php on line 3171

Deprecated: Using ${var} in strings is deprecated, use {$var} instead in /home/public/sites/www.voormaligonderzoekrk.nl/wp-content/plugins/updraftplus/class-updraftplus.php on line 3177

Deprecated: Using ${var} in strings is deprecated, use {$var} instead in /home/public/sites/www.voormaligonderzoekrk.nl/wp-content/plugins/updraftplus/class-updraftplus.php on line 3312
redactie – Voormalig onderzoek RK

Bij de reactie op het boek ‘De Deetman files’

De voormalige commissie-Deetman beperkt zich in beide reacties hieronder op de zogeheten ‘De Deetman files’ tot feitelijke weerlegging van kritiek van de auteur op de methodologische onderbouwing van haar wetenschappelijk onderzoek. Voor het overige verwijst de onafhankelijke commissie naar haar onderzoeksrapport op deze website. Het voert bepaald te ver alle feitelijke onjuistheden in de publicatie van de auteur te corrigeren, alsmede vermeende feiten, fictieve citaten en ontmoetingen evenals infame suggesties. Ook de vele kwalificaties van personen in deze publicatie komen voor rekening van de auteur. De voormalige onderzoekscommissie neemt volledig afstand van diens publicatie.

Reactie aan Trouw naar aanleiding van opmerkingen van dr. P.J.E. Chatelion Counet in een interview voor de editie van 28 december 2020

Reactie aan Trouw naar aanleiding van opmerkingen van dr. P.J.E. Chatelion Counet in een interview met dit dagblad voor de editie van 28 december 2020

Over de aantallen minderjarige slachtoffers van seksueel misbruik binnen de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) maakte de onafhankelijke commissie-Deetman in haar wetenschappelijk onderzoek zelf geen berekening. Hiervoor gaf zij opdracht aan het bureau TNS/NIPO dat onderzoek deed onder een representatieve groep van 34.234 personen. Het Nederlandse Interdisciplinaire Demografisch Instituut maakte op basis hiervan een berekening. Twee gespecialiseerde hoogleraren gaven hierna een second opinion. Op basis van deze informatie hanteerde de onderzoekscommissie een afgewogen bandbreedte van het aantal slachtoffers binnen de RKK en een percentage voor het aantal slachtoffers hierbuiten.

Voor een kwalitatieve analyse zijn aan 774 melders die minderjarig waren ten tijde van het seksueel misbruik, vragenlijsten voorgelegd, onder andere over de leeftijd waarop dit misbruik begon. Vooral ook omdat de meesten op (zeer) jonge leeftijd slachtoffer werden beantwoordden zij de vraag over hun precieze leeftijd niet. Met honderden melders heeft de onderzoekscommissie ook gesproken.

In de klachtprocedure die de commissie-Deetman adviseerde is, in tegenstelling tot de suggestie in het interview, geen sprake van rechtszaken voeren tegen en veroordelen van overleden personen. Het ging de onderzoekscommissie uitsluitend om een klachtprocedure voor het bieden van erkenning, hulp en in een voorkomend geval financiële tegemoetkoming aan slachtoffers.

Uitgebreidere reactie op opmerkingen van dr. P.J.E. Chatelion Counet in het dagblad Trouw op 28 december 2020

Trouw |  De heer Chatelion Counet stelt dat de onderzoekcommissie de beschikking had over slechts 774 meldingen die betrekking hadden op seksueel misbruik. Het merendeel van de 2026 ontvangen meldingen betrof volgens de heer Chatelion Counet geen seksueel misbruik van minderjarigen.

De onderzoekscommissie | De bewering van de heer Chatelion is feitelijk onjuist. De onderzoekscommissie kreeg via diverse kanalen meldingen over seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK, maar besloot om uitsluitend die meldingen te gebruiken voor onderzoek naar de aard van het gemelde seksueel misbruik die aan haar rechtstreeks waren gedaan.

De onderzoekscommissie startte haar werkzaamheden in de zomer van 2010. Al voor de start van haar werkzaamheden had zij honderden meldingen ontvangen en die toestroom bleef zo omvangrijk dat zij op 15 oktober 2010 bekendmaakte dat de termijn om meldingen te doen voor nader kwalitatief onderzoek op 1 december 2010 zou sluiten.

Zoals gezegd, gebruikte de onderzoekscommissie de 774 meldingen uit dit veel grotere bestand voor kwalitatief onderzoek. Zij heeft deze melders plus 109 andere melders die in eerste instantie te weinig informatie hadden gemeld een uitgebreide vragenlijst toegezonden. Bijna 70 procent van de melders (599 melders) heeft deze vragenlijst ingevuld.

 

Trouw | De heer Chatelion Counet geeft aan dat veel melders geen (precieze) leeftijd vermelden waarop het seksuele misbruik plaatsvond. ‘Ook werd geen gradatie in de gevallen aangebracht.’

De onderzoekscommissie | Ook deze beweringen van de heer Chatelion Counet zijn feitelijk onjuist. Uit de door de onderzoekscommissie verzamelde gegevens blijkt dat het misbruik op zeer jonge leeftijd (jonger dan 12 jaar) plaatsvond (55,7 procent van de gevallen). Het misbruik vond herhaaldelijk plaats (82,6 procent) en duurde langer dan een jaar (57,1 procent).

De onderzoekscommissie hanteerde een indeling in vijf categorieën van seksueel misbruik (van matig tot zeer ernstig). Bij 15,1 procent van de gevallen was sprake van ernstig (penetratie) en zeer ernstig misbruik (herhaald of langdurig ondergaan van vergaande seksuele handelingen).

 

Trouw | De heer Chatelion Counet beweert dat ‘dat hele rapport Deetman […] vol [staat] met begrippen als ‘naar schatting” en ruwweg’.

De onderzoekscommissie | Hoofdstuk 3 van het rapport van de onderzoekscommissie (bladzijde 52 tot en met 79) betreft de omvang en aard van seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK. De uitdrukking ‘naar schatting’ wordt geen enkele keer gebruikt. Wel wijst de onderzoekscommissie erop dat zij door het gebruik van informatie uit uiteenlopende bronnen ‘aan de hand van beredeneerde schattingen [cursivering door commissie] antwoorden [probeert] te geven op de vragen waarmee dit hoofdstuk opende’ (bladzijde 53).

De term ‘ruwweg’ wordt eenmaal gebruikt (bladzijde 79): ‘in ruwweg de helft van de gevallen werd gemeld dat zulk misbruik herhaald heeft plaatsgevonden en zich heeft uitgestrekt over een periode van langer dan een jaar’. Het betreft hier 46,7 procent.

 

Trouw | De heer Chatelion Counet is kritisch over de klachtenprocedure binnen de RKK en stelt dat ‘elke ten onrechte opgeknoopte dader [..] er ook een te veel [is].’

De onderzoekscommissie | De onderzoekscommissie heeft een veelvoud aan onderzoeksmethoden gebruikt. Naast een analyse van de meldingen en vervolgvragen daarover heeft TNS NIPO in opdracht van de onderzoekscommissie een survey uitgevoerd in een representatie steekproef van 34.234 personen.

Ook heeft de onderzoekscommissie gesproken met alle toen nog levende (oud-)bisschoppen en hulpbisschoppen, een aantal vicarissen-generaal en een groot aantal hogere oversten. In de bisdommen en bij een groot aantal ordes en congregaties alsmede de bisschoppenconferentie is uitgebreid archiefonderzoek gedaan, met inbegrip van onderzoek in de zogeheten geheime archieven. Met ruim 350 melders van seksueel misbruik als minderjarige in de RKK heeft de onderzoekscommissie gesproken: in groepsverband maar ook individueel waarbij in tientallen gevallen sprake was van meer dan één gesprek. De uit deze gesprekken verkregen informatie is gebruikt om in archieven nadere informatie te traceren. Daarbij kon in enkele gevallen ook gebruik worden gemaakt van processen-verbaal die in het kader van strafrechtelijk onderzoek waren opgesteld.

De onderzoekscommissie heeft met tien personen gesproken die in meldingen over seksueel misbruik van minderjarigen waren genoemd. De inhoud van de gesprekken is in verslagen vastgelegd die voor wederhoor (aanvullingen en verbeteringen) aan de betrokkenen zijn voorgelegd. De onderzoekscommissie heeft aan de hand van wat zij te weten was gekomen een lijst opgesteld van personen die als pleger in de door de onderzoekscommissie verzamelde informatie voorkwamen. Deze lijst met 1400 namen is op 15 juli 2011 aan alle bisdommen, ordes en congregaties voor zover het personen uit hun organisatie betrof voorgelegd. Op drie na (drie congregaties met vier namen) hebben alle organisaties gereageerd. Uit de reacties van deze organisaties bleek dat verschillende (religieuze) namen betrekking hadden op een en dezelfde persoon. Uiteindelijk bleef een lijst over van 769 namen waaronder 396 namen van overledenen en 268 namen waarvan de identiteit niet kon worden opgehelderd of onduidelijk was of die personen nog in leven waren (bladzijde 175).

Tijdens haar onderzoek en ook na verschijning van de onderzoeksrapporten heeft de onderzoekscommissie uitdrukkelijk de zogeheten onschuldpresumptie gehanteerd. Om deze reden heeft de onderzoekscommissie de namen van personen die beschuldigd werden geanonimiseerd, met uitzondering van een persoon die een zodanige functie heeft vervuld dat zijn identiteit bekend is (bladzijde 21).

De Klachtencommissie die klachten over seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK heeft behandeld en klachten gegrond, gedeeltelijk gegrond, dan wel ongegrond heeft verklaard heeft – zoals ook bij andere klachtenprocedures gebruikelijk is – de namen van klagers en aangeklaagden niet gepubliceerd. Van het ‘ten onrechte opknopen’ is geen sprake. De ook ten opzichte van de commissie-Deetman onafhankelijke Klachtencommissie heeft haar werkzaamheden afgerond: 68 procent van de klachten is gegrond of gedeeltelijk gegrond verklaard. Dat betekent dat bij gegrondverklaring erkenning, hulp en genoegdoening in de vorm van een financiële tegemoetkoming kan worden geboden. Zoals gezegd, van ‘veroordelen’ of ‘opknopen’ is geen sprake.

 

Zie voor de reactie van de Bisschoppenconferentie en de KNR op het boek van de heer Chatelion Counet en eerdere uitspraken https://www.knr.nl/organisatie/nieuwsbericht.asp?nieuwsbericht_id=2657.

Feitelijke juistheden in reactie op interview auteur De Deetman files

19 december 2020 – Nederlands Dagblad (ND) publiceert op zaterdag 19 december 2020 een interview met de auteur van ‘De Deetman files’. De onafhankelijke commissie Deetman deed vanaf de nazomer van 2010 tot eind 2011 wetenschappelijk onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen na 1945 in de Rooms-Katholieke Kerk binnen Nederland. Met de presentatie van haar eindrapport hield de commissie op te bestaan. De voormalige onderzoekscommissie draagt geen kennis van de publicatie De Deetman files. Deze is niet ter verificatie en wederhoor voorgelegd. Publicatie en kwalificaties hierin zijn derhalve voor rekening van de auteur. Wel legde de redacteur van ND het concept-artikel voor wederhoor voor. Het feitelijk commentaar op onjuistheden hierin is als volgt. ND nam een deel van dit commentaar over.

ND | In 2010 en 2011 deed CDA-coryfee Wim Deetman op verzoek van de Nederlandse Rooms-Katholieke Kerk onderzoek naar seksueel misbruik in de kerk tussen 1945 en 2010. De misbruikcijfers uit zijn rapport noemt Chatelion Counet nu ‘zwaar overdreven’. Deetman spreekt over 10.000 tot 20.000 slachtoffers, en elders zelfs over ‘enkele tienduizenden’. ‘Maar hij heeft zelf slechts 774 bruikbare meldingen binnengekregen’, zegt Chatelion Counet. ‘Van deze 774 melders heeft 43 procent bovendien vergeten te melden hoe oud ze waren en een derde gaf niet aan wat het misbruik inhield.’

Feiten | De onafhankelijke onderzoekscommissie – commissie-Deetman – heeft in totaal 2.026 meldingen ontvangen (bladzij 54 van haar onderzoeksrapport). Van deze 2.026 meldingen vielen 231 meldingen (11,4 procent) buiten het onderzoek: het betrof geen seksueel misbruik, het betrof volwassenen etc. Voor een kwalitatieve, nadere analyse is gebruik gemaakt van 774 meldingen. Deze melders zijn vragenlijsten voorgelegd. Het betrof onder andere de vraag op welke leeftijd het seksueel misbruik begon. Dat veel melders deze vraag niet hebben beantwoord heeft ermee te maken dat het grootste deel van het misbruik zich voordeed in de leeftijdscategorie tussen de zes en twaalf jaar oud (zie bladzij 57 van het onderzoeksrapport).

ND | Maar het opvallendst vindt hij toch: ‘Een maand voordat hij het rapport publiceerde laat Deetman hoogleraar statistiek Paul van der Heijden van de Universiteit Utrecht kijken naar de wijze waarop de commissie gerekend heeft. En deze antwoordt: “Uw berekening dat er in instellingen tussen de 10.000 en 20.000 slachtoffers gevallen zijn, kan ik niet reproduceren. Ik ben van mening dat de kwaliteit van de gegevens geringer is dan vooraf door u was gehoopt”.’

Feiten | De commissie-Deetman heeft geen berekening gemaakt. Evenmin is er een verband tussen het aantal meldingen bij de commissie-Deetman en de schattingen in het eindrapport van de commissie op basis van het TNO/NIPO-onderzoek.

De onderzoekscommissie heeft TNS NIPO opdracht gegeven voor een onderzoek onder een representatieve groep van 34.234 personen uit haar online panel. De respons was 85 procent en de onbetrouwbaarheidsmarge was 0,2 procent (bladzij 63 van het onderzoeksrapport). Aan de hand van de uitkomsten van de steekproef zijn acht groepen onderscheiden. Uit vijf van deze acht groepen zijn respondenten geselecteerd die een aanzienlijk uitgebreidere vragenlijst hebben beantwoord.

Tegelijkertijd heeft de onderzoekscommissie het Kaski, onderdeel van de Radboud Universiteit, een onderzoek laten doen naar de ontwikkelingen van het aantal katholieken in Nederland tussen 1945 en 2009. Aan de hand van de uitkomsten van de steekproef en het KASKI heeft het NIDI (het Nederlandse Interdisciplinaire Demografisch Instituut) een berekening gemaakt van het aantal slachtoffers van seksueel misbruik.

Dat leverde een exact aantal op, maar de onderzoekscommissie heeft een bandbreedte gehanteerd omdat de periode waarin het misbruik plaatsvond ver weg was gelegen. Ook heeft de onderzoekscommissie zich niet gewaagd aan een inschatting hoger dan de bandbreedte omdat bij onderzoeken naar seksueel misbruik doorgaans sprake is van onderrapportage.

Vervolgens heeft de onderzoekscommissie een second opinion gevraagd bij twee hoogleraren, en dus niet bij één. Het betrof professor dr. P.G.M. van der Heijden van de Universiteit Utrecht en professor mr. dr. C.C.J.H. Bijleveld van de Vrije Universiteit. Professor Van der Heijden concludeerde ‘dat u een serieuze poging hebt ondernomen om tot goede schattingen van seksueel misbruik in de RK kerkprovincie te komen’. Professor Bijleveld concludeerde dat ‘uw hoofdstuk 3 een beredeneerde en noodzakelijkerwijs voorzichtige inschatting geeft van de aard en omvang van seksueel misbruik van minderjarigen in de RK Kerkprovincie in Nederland voor de periode die u onderzoekt.’ De reacties van beide hoogleraren zijn gepubliceerd.

In het onderzoeksrapport is een uitgebreide bijlage A opgenomen waarin de onderzoekscommissie over de door haar gehanteerde methodiek uitgebreid verantwoording aflegt. Verder heeft de onderzoekscommissie TNS NIPO gevraagd alle tabellen uit het steekproefonderzoek te publiceren (het zogeheten roze boek).

ND | ‘Het verdient aanbeveling dat het onderzoek van Deetman wordt overgedaan’, schrijft Chatelion Counet dan ook aan het eind van zijn boek. Maar dat is vrijwel onmogelijk. ‘Deetman vertikt het om de archieven openbaar te maken.’ De komende zeventig jaar kan het onder zijn beheer geschreven rapport niet op waarheid worden getoetst. Op last van de voormalige burgemeester van Den Haag zelf.

Feiten | Alle gegevens met betrekking tot het TNS/NIPO-onderzoek zijn gepubliceerd c.q. openbaar. Bij toegankelijkheid van het archief speelt de vertrouwelijkheid die slachtoffers en personen uit de Rooms-Katholieke Kerk door de commissie is beloofd, een belangrijke rol.

Feiten | Op 9 december 2010 heeft de onderzoekscommissie een tussenadvies gepubliceerd over de behandeling van klachten over seksueel misbruik. De onderzoekscommissie heeft geadviseerd om een klachtenprocedure in het leven te roepen en de uitspraken van de klachtencommissie geanonimiseerd te publiceren. De Bisschoppenconferentie en de KNR hebben deze aanbeveling onverkort overgenomen. Het opleggen van een zwijgplicht in mediationovereenkomsten verdraagt zich niet met dit openbaarheidsbeginsel.

ND | In het Nederlands recht kan geen proces gevoerd worden tegen overledenen. ‘Dat de kerk dat toch gedaan heeft, was een handreiking naar de slachtoffers, maar pakte ten nadele uit van de aangeklaagden’, vindt Chatelion Counet. ‘Als zaken verjaard zijn kun je als slachtoffer nergens meer terecht. De kerk heeft, onder druk van de samenleving, van pers en politiek, gezegd: wij doen het toch. Dat siert de kerk, maar daarin is zij te ver doorgeschoten.’ Zo is volgens de jurist ‘het belangrijkste principe van de Nederlandse rechtsstaat, dat burgers recht hebben op een eerlijk proces, met voeten getreden.’

Feiten | De suggestie is hier dat er rechtszaken zijn aangespannen en overleden personen zouden zijn veroordeeld. Hiervan is in de klachtprocedure geen sprake. Het ging daarbij om slachtoffers erkenning te bieden, hulp en in voorkomend geval een financiële tegemoetkoming.

ND | ‘De kerk had een vette jackpot neergezet. In de geweldszaken kregen de bisschoppen en oversten geen enkel slachtoffer te spreken. Wel dienden we de portemonnee te trekken.’

Feiten | Op 4 oktober 2013 is een regeling ingegaan voor diegenen die in 2010 en 2011 meldingen en klachten hadden ingediend over geweld.

Er is op geattendeerd dat de auteur in zijn boek een uitvoerig gesprek beschrijft van hem en een hogere overste met een meldster van geweld, door de auteur mevrouw Van der Linden genoemd (blz. 246 van zijn boek). Gesprekken die slachtoffers met vertegenwoordigers van de RKK voerden zijn evenwel niet geregistreerd.

ND | Uiteindelijk bleken echter die gevoerde juridische processen niet eens nodig te zijn geweest. ‘Tijdens de zogenaamde slotakte is besloten dat iedereen die zich gemeld had toch een schadevergoeding krijgt, zonder waarheidsvinding, zoals Deetman dat onomwonden noemde. Klagen was genoeg en de bisdommen en de congregaties betaalden. Bij geweldsmisdrijven bedroeg dat 17.500 euro.’

Feiten | Dit bedrag is onjuist. Het maximumbedrag in de regeling voor geweld was 5.000 euro.

ND | ‘Ook de commissie Deetman is erachter gekomen dat er in Nederland hoe dan ook honderdduizenden kinderen misbruikt zijn. Dat cijfer noemen ze niet in het rapport, maar het veel kleinere cijfer van 20.000 – wat dus feitelijk nog veel minder moet zijn – noemen ze wel.’

Feiten | Uit het TNS/NIPO-onderzoek blijkt dat het buiten de kerk net zo erg was als daarbinnen. Aan het misbruik buiten de RKK is in het rapport eveneens aandacht besteed. Ook het persbericht over het eindrapport en commissievoorzitter Deetman op de persconferentie hierover wees hierop (zie onder andere de commentaren in NRC Handelsblad en De Groene Amsterdammer).

Overigens wees de commissievoorzitter de opdrachtgevers van het onderzoek er steeds op dat de RKK niet in de positie was te verwijzen naar het kwaad elders, terwijl binnen de RKK die anderen de maat neemt, dat kwaad in dezelfde omvang ook plaatsvond en niet adequaat werd aangepakt.

ND | Achteraf bekeken zegt Chatelion Counet: ‘Ik denk dat de feiten tijdens een parlementaire enquête objectiever benaderd zouden zijn geweest dan nu in het rapport Deetman gebeurd is’. In zijn boek schrijft hij: ‘Je hebt leugens, je hebt statistieken en dan heb je het rapport Deetman’.

Feiten | Steeds heeft de commissievoorzitter gesteld dat het de verantwoordelijkheid van de Tweede Kamer is om al dan niet een parlementaire enquête te houden. Los hiervan zou een instituut als de RKK, dat zich publiekelijk uitlaat over normen en waarden, zelf moeten willen weten wat er in het verleden is geschied, bracht de commissievoorzitter steeds naar voren, en wel door op het punt van het misbruik een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek in te stellen en dit niet over te laten aan de politiek alleen.

Klik hier voor het artikel op de website. Voor de pdf-versie klik hier.

Deetman spreekt met paus Franciscus over misbruikonderzoek

Rome, 19 december 2018 – Op uitnodiging van paus Franciscus sprak drs. W.J.(Wim) Deetman vandaag tijdens een privé audiëntie met hem over seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke kerk (RKK).

Het gesprek dat ongeveer driekwartier duurde, ging vooral over de opzet, aanpak, en uitkomst van het onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen binnen de RKK in Nederland. Deetman was voorzitter van de commissie die dit onderzoek deed (commissie- Deetman).

Ook besprak hij met de paus enkele aandachtspunten hierbij in breder verband van de RKK. Het gesprek had plaats met het oog op de bijzondere bijeenkomst van bisschoppen in februari 2019 over seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK.


Deetman meets Pope Francis about abuse inquiry

Rome, 19 December 2018 – At the invitation of Pope Francis, today Mr W.J. (Wim) Deetman met with him during a private audience during which they spoke about sexual abuse in the Roman Catholic Church.

The meeting, which lasted approximately forty-five minutes, mostly dealt with the structure, method, and outcome of the inquiry into sexual abuse of minors within the Roman Catholic Church in the Netherlands. Deetman chaired the commission which conducted this inquiry (the Deetman commission).

He also discussed with the Pope a number of these issues in the context of the broader Roman Catholic Church. The meeting was organised in anticipation of the extraordinary conference of bishops which will be convened in February 2019 on the issue of sexual abuse of minors in the Roman Catholic Church.

Over een uitlating in NRC Handelsblad die ten onrechte is toegeschreven

Vooraf

NRC Handelsblad schreef op 23 en 24 mei 2018 een uitlating toe aan de heer Pieter Kalbfleisch. Het hoofdredactionele commentaar van 24 mei hierover: ‘De opmerking van P. Kalbfleisch, lid van de commissie-Deetman die het onderzoek deed naar seksueel misbruik en geweld in de Katholieke Kerk, dat ‘niemand van werken ooit slechter is geworden’, is ronduit een belediging en een blijk van hetzelfde paternalisme dat de uitbuiting in deze gestichten ooit mogelijk maakte’. En verderop: ‘Het wekt tenminste verwondering dat de commissie-Deetman die misbruik en geweld binnen de Katholieke Kerk onderzocht, deze kwestie niet bij het onderzoek wilde betrekken’.

Niet valt in te zien waarom de krant meende deze bewering toe te kunnen schrijven aan de heer Kalbfleisch en op basis van de publicatie hiervan de onderzoeken onder leiding van de heer Deetman opnieuw in diskrediet te brengen. Vanaf 24 mei is door de heer Bert Kreemers namens de voormalige commissie Deetman tegenover de hoofdredactie en betrokken redacteur van NRC Handelsblad in diverse berichten uitdrukkelijk afstand genomen van deze bewering en met de nodige onderbouwing van feiten gewezen op de ongegrondheid ervan (zie hiervoor ook elders in deze rubriek mededelingen en reacties).

De reactie van de heer Kreemers zou NRC Handelsblad ten overvloede aanleiding hebben moeten geven om de bewering in de krant in te trekken dan wel duidelijk te maken dat degene aan wie de gehekelde uitlating is toegeschreven stelt deze niet te hebben gedaan en dat diverse aanwezigen hem hierin bijvallen. Bij twijfel of de heer Kreemers namens de heer Kalbfleisch afstand nam van de bewering, zoals de betrokken redacteur op 22 juni suggereerde, had het reeds op 24 mei op de weg van NRC Handelsblad gelegen hierover navraag te doen.

Ruim een maand later vulde NRC Handelsblad, in reactie op een concept-klacht bij de Raad voor de Journalistiek, uitsluitend op de website van de krant het bericht van 23 mei aan: ‘Aanvulling 27 juni 2018: Per brief van zijn advocaat Germ Kemper heeft Pieter Kalbfleisch op 21 juni 2018 gereageerd op de aan hem toegeschreven uitlating in dit artikel. Kemper schrijft: ,,Kalbfleisch heeft zich nimmer uitgelaten in bewoordingen als door NRC-Handelsblad weergegeven, en evenmin overigens iets gezegd met dezelfde en onjuiste strekking”.’

De heer Kemper reageerde op 3 juli: ‘(…) Het wordt dezerzijds gewaardeerd dat op de site van NRC-Handelsblad nu verwezen wordt naar de reactie van de heer Kalbfleisch. Het blijft daarnaast enige verbazing wekken dat aan uw zijde pas nu is doorgedrongen dat mijn cliënten de juistheid van het aan de heer Kalbfleisch toegeschreven citaat betwisten. Alleen al uit de van ruime feitelijke onderbouwing voorziene mededeling dat de strekking van het citaat niet valt te rijmen met de werkzaamheden van, oorspronkelijk, de heer Deetman en vervolgens van de commissie waarvan de heer Kalbfleisch deel uitmaakt, had al eenvoudig kunnen worden afgeleid dat het citaat kant noch wal raakt. Het is jammer dat u niet op mijn argumentatie bent ingegaan dat het citaat niet valt te rijmen met de werkzaamheden van oorspronkelijk de heer Deetman en vervolgens van de commissie waarvan de heer Kalbfleisch deel uitmaakt. Hoe dat zij, mijn cliënten zien op dit ogenblik, en onder voorbehoud van al hun rechten, af van stappen. Zij zullen op gepaste wijze het publieke debat voortzetten wanneer daarvoor aanleiding is’.

Ook is tegenover NRC Handelsblad op basis van de feiten de bewering weerlegd dat de commissie Deetman uitbuiting in betrokken gestichten niet bij het onderzoek wilde betrekken. De problematiek van bovenmatige arbeid heeft zonder enige restrictie aandacht gekregen (zie hiervoor eveneens elders op deze website).

Bijlagen

  1. Datum: 21 juni 2018 – Brief van Mr. G.J. Kemper aan hoofdredacteur P. Vandermeersch van NRC Handelsblad inzake concept-klacht bij Raad voor de Journalistiek.
  2. E-mail correspondentie inzake concept-klacht Raad voor de Journalistiek.

Reactie voormalige onderzoekscommissie op vragen van Joep Dohmen, NRC Handelsblad

  1. Aan de heer Kalbfleisch toegeschreven uitspraken

Volgens NRC Handelsblad zou Kalbfleisch de aan hem toegeschreven uitspraak (“Van werken is nog nooit iemand slechter geworden.”) hebben gedaan in een gesprek met mevrouw Knibbe en mevrouw Kips. Tevens zou hij die uitspraak hebben gedaan in een gesprek met een lotgenote en haar dochter.

  • Het gesprek met mevrouw Knibbe en mevrouw Kips vond plaats op 27 mei 2014. Bij dit gesprek waren naast Kalbfleisch ook aanwezig mevrouw Langeland en de heren Stevens, Westra en Kreemers. De heer Westra kan zich niet herinneren dat in het gesprek de Zusters van De Goede Herder aan de orde zijn gekomen. Dat geldt ook voor de aan Kalbfleisch toegeschreven uitspraak. Stevens laat weten dat hij de beweerdelijke uitspraak van Kalbfleisch nimmer van hem heeft gehoord noch van iemand die die uitspraak van Kalbfleisch zou hebben gehoord. Langeland kan zich geen concrete situatie herinneren waarin de eerdergenoemde uitspraak zou zijn gedaan. Kreemers had al op 18 februari 2014 vastgesteld dat onder de lotgenotenorganisaties consensus bestond om klachten over gedwongen arbeid te behandelen en naar bevind van zaken te erkennen. Hij heeft de aan Kalbfleisch toegeschreven uitspraak niet gehoord en volgens hem is het onderwerp van gedwongen arbeid niet besproken.

Mevrouw Knibbe heeft een verslag van deze bijeenkomst opgesteld. De uitlating die aan Kalbfleisch wordt toegeschreven komt er niet in voor en sterker nog, gedwongen arbeid door minderjarige vrouwen komt in het gespreksverslag niet als onderwerp aan de orde.

  • Het gesprek met een melder van seksueel misbruik en geweld vond plaats op 23 juni 2014. Haar dochter was bij dit gesprek aanwezig. Aan dit gesprek namen Kalbfleisch, mevrouw Langeland en een notulist van het CAOP deel. Van het gesprek maakte het CAOP een verslag dat voor aanvullingen en verbeteringen aan de melder is toegezonden. Bij het maken van het verslag betracht het CAOP professionele verslaglegging en objectiviteit. Op 14 juli 2014 heeft de melder drie verbeteringen en twee aanvullingen toegezonden, kort daarna werd een volgende aanvulling toegezonden. Een half uur later reageerde de melder op een suggestie van Kalbfleisch om wat ze zelf omschreef als seksueel geweld ook te melden bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven dat belast was met de uitvoering van regelingen voor erkenning en genoegdoening voor seksueel misbruik in de jeugdzorg. Nergens in het verslag komt de door Kalbfleisch beweerdelijk gebezigde uitlating voor, zelfs niet iets dat daarbij in de buurt komt. Inhoud, opbouw en toonzetting van het gesprek/verslag vormen niet de minste aanleiding te veronderstellen, dat zo laatdunkend over slachtoffers is gesproken, als Kalbfleisch nu in de mond wordt gelegd. Sterker nog, uit haar laatste reactie blijkt dat Kalbfleisch zich met advies inzet voor de belangen van de melder.

De commissie Hulp, Erkenning en Genoegdoening voor geweld jegens minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk (bestaande uit Kalbfleisch, Stevens, Westra, Langeland en Kreemers) heeft deze melder schriftelijk erkenning en genoegdoening aangeboden in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De melder heeft laten weten deze te aanvaarden. Het Meldpunt Seksueel Misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk heeft melder op 19 april 2015 gewezen op de mogelijkheid om haar in 2012 gedane melding om te zetten in een klacht. Van deze mogelijkheid heeft zij geen gebruik gemaakt. Zij heeft de door Kalbfleisch aangeraden procedure bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven niet doorlopen.

  1. Deetman zou geen onderzoek hebben gedaan naar onbetaalde dwangarbeid.

“Feit is dat het lotgenotenplatform de commissie Deetman heeft gevraagd onbetaalde dwangarbeid en kinderarbeid onderdeel te maken van het tweede onderzoek. Dat heeft de commissie niet gedaan”, aldus NRC Handelsblad.

  • De commissie Deetman heeft van 1 juli 2010 tot en met 16 december 2011 onderzoek gedaan naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk. Mede op verzoek van lotgenotenorganisaties heeft Deetman vanaf het voorjaar van 2012 tot 11 maart 2013 leiding gegeven aan een onderzoeksorganisatie die een vervolgonderzoek heeft gedaan naar seksueel misbruik van meisjes en geweld tegen minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk. Mevrouw Knibbe en mevrouw Kips waren toen actief binnen KLOKK. Mevrouw Knibbe heeft haar bestuurslidmaatschap van KLOKK op 16 december 2012 beëindigd. Het onderzoek verscheen op 11 maart 2013. In de periode dat mevrouw Knibbe bestuurslid was van KLOKK is veelvuldig contact met haar geweest en heeft Deetman uitgebreid gebruik gemaakt van haar adviezen en inbreng bij het uitwerken van de opzet van het tweede onderzoek.

Het VPKK heeft kort voor en na verschijning van het tweede onderzoek met regelmaat kritische geluiden laten horen over de inhoud van het tweede onderzoek. Maar nimmer ging het daarbij om het niet toereikend onderzoeken van gedwongen arbeid door minderjarigen. Voor het vervolgonderzoek werd een omschrijving van vormen van geweld gebruikt zoals melders die in meldingen aan de onderzoeksorganisatie hadden genoemd. De onderzoeksorganisatie heeft van deze vormen een lijst gemaakt. Als eerste vorm van geweld wordt genoemd “lange werkdagen waarop hard moet worden gewerkt” (bladzij 54).

Op 29 oktober 2013, ruim zeven maanden na verschijning van het tweede onderzoek, stuurde het VPKK een gespreksnotitie naar de vaste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie waarin gevraagd werd om “verder onderzoek met betrekking tot de geschiedenis van minderjarige meisjes binnen de R.K. kerk”. Dit verzoek werd uitgewerkt in zeven onderwerpen waarin verder onderzoek naar gedwongen arbeid door minderjarigen niet voorkomt.

Op 6 november 2013 vond het (ronde tafel)gesprek van de vaste Kamercommissie met het VPKK plaats. Nog dezelfde dag was er een procedurevergadering van de vaste Kamercommissie waarin besloten werd de minister te vragen om verder onderzoek te doen in de politieregisters ter vaststelling van de wijze waarop de politie had gereageerd op meldingen en aangiften van seksueel misbruik in het algemeen en ten aanzien van de Rooms-Katholieke Kerk in het bijzonder. Een verder onderzoek naar gedwongen arbeid komt niet voor in de besluitenlijst van de vaste Kamercommissie.

Een van de aanbevelingen in het tweede onderzoek van Deetman was om voor slachtoffers van fysiek en psychisch geweld (waaronder gedwongen arbeid) tegen minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk een regeling te treffen met het oog op hulp, erkenning en genoegdoening. Over de uitwerking en uitvoering van deze regeling is herhaaldelijk met lotgenotenorganisaties (Mea Culpa United, KLOKK en VPKK) gesproken. De eerste bespreking was op 14 november 2013. Met het oog op deze bespreking had het VPKK een aantal voorstellen aan de deelnemers, in dit geval de andere lotgenotenorganisaties en de secretaris van de commissie die de klachten zou beoordelen, voorgelegd. Daarbij hoorde een voorstel de definitie van geweld zo te interpreteren dat daaronder “slavernij, dwangarbeid, kinderarbeid, economische uitbuiting” en nog elf andere vormen van geweld, vernedering, manipulatie en dergelijke zouden vallen.

Inhoudelijk verliep de discussie hierover tussen de lotgenotenorganisaties constructief. Op 18 februari 2014 werd tijdens een volgende bijeenkomst vastgesteld dat meldingen en klachten over gedwongen arbeid in aanmerking zouden komen voor erkenning en genoegdoening. Het aantal meldingen was op dat moment twee. In totaal heeft de commissie die met de uitvoering van de regeling voor hulp, erkenning en genoegdoening voor geweld tegen minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk was belast acht meldingen en klachten behandeld. Aan de slachtoffers van deze acht meldingen en klachten zijn erkenning en genoegdoening aangeboden.

Bijlagen

  1. E-mailwisseling met NRC Handelsbladredacteur J. Dohmen
  2. Brief van de hoofdredacteur van NRC Handelsblad
  3. Verslag van de hand van mevrouw Knibbe van het gesprek met Kalbfleisch en anderen van het gesprek op 27 mei 2014

Feitelijk overzicht naar aanleiding van het onderzoek van NRC Handelsblad naar de Zusters van De Goede Herder

  1. De oproep van het VPKK

Op 14 maart 2018 verscheen de volgende oproep op de Facebookpagina van het VPKK:

VERTEL DE WAARHEID OVER DE GESCHIEDENIS TEHUIZEN VAN DE ZUSTERS VAN DE GOEDE HERDER
Vertel de waarheid over de Goede Herder: vele honderden meisjes werden in de loop der jaren om het minste veroordeeld, bestraft, opgesloten en uitgebuit. De veroordeling, de schaamte en het extreme regime hebben voor velen levenslange gevolgen gehad. Enkele vrouwen zoeken lotgenoten om samen de waarheid te vertellen en op te komen voor erkenning, eerherstel en genoegdoening. Het kon ieder meisje zomaar overkomen. Ben jij een van hen? Neem contact op door te schrijven aan: klachtendegoedeherder@gmail.com

Op 23 mei 2018 verscheen in NRC Handelsblad een “onderzoek van NRC naar de aard en omvang van dwangarbeid in de zogenoemde ‘liefdesgestichten’ van de Zusters van de Goede Herder in Tilburg, Zoeterwoude, Almelo en het Gelderse Velp”.

In dit feitelijk overzicht wordt ingegaan op de wijze waarop de betrokken redacteur (Joep Dohmen) een voormalig lid van de commissie-Deetman (Pieter Kalbfleisch) en de voormalige commissie-Deetman heeft benaderd. Daarnaast wordt ingegaan op beweringen van Dohmen over Kalbfleisch en over de voormalige onderzoekscommissie. Ten slotte worden andere onjuistheden in het onderzoek van Dohmen van feitelijk juiste informatie voorzien.

  1. De wijze waarop Dohmen een voormalig lid van de commissie-Deetman en de voormalige commissie-Deetman heeft benaderd

Op 22 mei 2018 nam Dohmen contact op met de secretaresse van een bedrijf in Noord-Holland waar Kalbfleisch een toezichthoudende functie vervult. Dohmen hield de secretaresse voor dat hij Kalbfleisch vragen wilde stellen ‘over iets wat niet is onderzocht’. Dohmen noemde het onderwerp waarover zijn vragen zouden gaan niet. Om 11.52 uur meldde de secretaresse aan Dohmen dat ze Kalbfleisch telefonisch niet kon bereiken: “Ik heb uw contactverzoek per mail doorgegeven voor het geval de heer Kalbfleisch zijn mail checkt.”[1] Dohmen noemde geen termijn waarbinnen hij met Kalbfleisch wilde spreken.

Op 22 mei 2018 om 15.09 uur, ongeveer drie uur na het contact tussen Dohmen en de secretaresse, verscheen op de website van NRC Handelsblad een artikel dat de volgende dag in de gedrukte krant een plek zou krijgen: “15.000 vrouwen werkten onder dwang”.

In dit digitale artikel staat: “De dwangarbeid is niet onderzocht door de commissie-Deetman. Die deed in 2010 onderzoek naar seksueel misbruik in de kerk en, in 2013, naar geweld tegen minderjarige vrouwen in de Kerk. Lotgenotenorganisatie VPKK vroeg Deetman ook de dwangarbeid te onderzoeken, maar volgens de commissie viel dwangarbeid niet onder de definitie van ‘geweld’. VPKK-bestuurslid Annemie Knibbe: “Commissielid Pieter Kalbfleisch zei het zo: ‘van werken is nog nooit iemand slechter geworden’. Kalbfleisch reageerde niet op een verzoek om commentaar.”

De tijd tussen het verzoek om contact van Dohmen met Kalbfleisch en de publicatie van ten onrechte aan Kalbfleisch en Deetman toegeschreven citaten op de website van NRC Handelsblad bedroeg drie uren. In een e-mailbericht aan Bert Kreemers van 25 mei 2018 (8.53 uur) liet Dohmen weten eraan te hechten dat Kreemers aan anderen zou laten weten dat “NRC […] moeite [heeft] gedaan om voor publicatie in contact te komen met de heer Kalbfleisch’. In hetzelfde bericht beschuldigt hij Kalbfleisch ervan “blijkbaar […] er voor […] te verkiezen richting NRC te zwijgen”.

Op 24 mei 2018 verscheen een hoofdredactioneel commentaar in NRC Handelsblad. In dit hoofdredactioneel commentaar komt de niet voor verificatie voorgelegde, door mevrouw Knibbe genoemde en aan Kalbfleisch toegedachte uitspraak als volgt aan bod:

“De opmerking van P. Kalbfleisch, lid van de commissie-Deetman die het onderzoek deed naar seksueel misbruik en geweld in de Katholieke Kerk, dat ‘niemand van werken ooit slechter is geworden’, is ronduit een belediging en een blijk van hetzelfde paternalisme dat de uitbuiting in deze gestichten ooit mogelijk maakte.”

Dit was voor de heer Deetman aanleiding om de hoofdredacteur van NRC Handelsblad een bericht te laten sturen dat als bijlage 1 is bijgevoegd. Een afschrift is beleefheidshalve aan Dohmen toegezonden. Dohmen reageerde op 25 mei 2018 (8.53 uur) met twee vragen:

  • “Wellicht kun je [Kalbfleisch] vragen of hij de zin die mevrouw Knibbe (en anderen) hem hebben horen uitspreken, juist is?”
  • “Resteert mijn vraag waarom de heer Deetman cs onbetaalde dwangarbeid van minderjarigen en kinderarbeid niet heeft onderzocht en niet tot de definitie van geweld wilde rekenen.”

Waarom Dohmen deze vragen niet voorafgaande aan publicatie van zijn artikel in NRC Handelsblad in het kader van hoor en wederhoor heeft voorgelegd, is niet bekend.

  1. Beweringen van Dohmen over Kalbfleisch en over de voormalige onderzoekscommissie

Wat beweert Dohmen?

‘volgens de commissie viel dwangarbeid niet onder de definitie van ‘geweld’

Was is feitelijk juist?

  1. Dohmen doet het voorkomen alsof hij hier de commissie als bron gebruikt. Dat is onjuist.
  2. In het onderzoeksrapport naar geweld staat: “De wetenschappelijke literatuur kent weinig eenduidigheid van het begrip geweld en dit onderzoek bestrijkt een lange periode. Dit maakt definitievorming en daarmee beoordeling van geweld tegen minderjarige vrouwen binnen de Rooms-Katholieke Kerk lastig. Om deze reden heeft de onderzoeksorganisatie ervoor gekozen om een beschrijving te geven van fysiek en psychisch geweld, in plaats van het gebruik van een scherp afgebakende definitie zoals die van seksueel misbruik. Deze beschrijving is tot stand gekomen op basis van literatuurstudies en een vergelijking van de aangetroffen informatie met de bewoordingen die slachtoffers gebruiken voor verschillende soorten geweld. […] De bewoordingen die slachtoffers gebruiken voor geweld staan vermeld in hoofdstuk 3.”[onderstreping toegevoegd]
  1. In hoofdstuk 3 staat als eerste vorm van fysiek en psychisch geweld die in de nieuwe meldingen en in de eerdere geweldsmeldingen worden gerapporteerd: “lange werkdagen waarop hard moet worden gewerkt”

Conclusie: Dwangarbeid valt dus onder de definitie van fysiek en psychisch geweld en de op het onderzoek volgende regeling voor hulp, erkenning en genoegdoening voor geweld heeft daar rekening mee gehouden. Zeven melders van en klagers over psychisch en fysiek geweld in instellingen van de Zusters van De Goede Herder hebben erkenning en genoegdoening gekregen voor wat hen daar en in andere instellingen waar ze op jongere leeftijd verbleven hebben ondergaan.

Bron

Blz. 16

Blz. 54

Wat beweert Dohmen?

Citaat van Annemiek Knibbe over Pieter Kalbfleisch: “Commissielid Pieter Kalbfleisch zei het zo: ‘van werken is nog nooit iemand slechter geworden’.

Was is feitelijk juist?

  1. Het onderzoek naar geweld liep van het voorjaar van 2012 tot 11 maart 2013. Kalbfleisch was daarbij niet betrokken. Hij maakte van de toen ingestelde onderzoeksorganisatie geen deel uit.
  2. Kalbfleisch maakte wel deel uit van de commissie die de regeling voor hulp, erkenning en genoegdoening (HEG) heeft uitgevoerd vanaf 24 juni 2014. Ter voorbereiding op deze uitvoering heeft een aantal malen tussen lotgenotenorganisaties en het secretariaat van HEG overleg plaatsgevonden met de lotgenotenorganisaties. Op 18 februari 2014 is in de ‘afsprakenlijst’ van dat overleg opgenomen dat meldingen over kinderarbeid naar bevind van zaken zouden worden behandeld. De uitvoeringscommissie HEG was geen onderzoekscommissie. De meldingen en klachten, waarvan zeven betrekking hebben op de Zusters van De Goede Herder, werden uitsluitend op authenticiteit beoordeeld. Wel heeft de uitvoeringscommissie gesprekken gevoerd met melders en klagers, waaronder mevrouw Keepers, van wie een interview in NRC Handelsblad van 23 mei 2018 verscheen.
  3. Op 27 mei 2014 heeft mevrouw Knibbe met Kalbfleisch en de uitvoeringscommissie HEG gesproken. Aanwezigen herinneren zich de door mevrouw Knibbe genoemde uitspraak niet. In het door mevrouw Knibbe zelf gemaakte verslag komt de uitspraak niet voor. De uitvoeringscommissie HEG heeft bovendien niet overeenkomstig de genoemde uitspraak gehandeld.

Conclusie: De door mevrouw Knibbe genoemde uitspraak vindt geen grond in de feiten. In het op 11 maart 2013 gepubliceerde onderzoek naar geweld wordt een definitie gebruikt waaronder gedwongen arbeid valt. Het gesprek tussen mevrouw Knibbe en Kalbfleisch dateert van 27 mei 2014 en had geen betrekking op het reeds op 11 maart 2013 gepubliceerde rapport over geweld, maar op de behandeling van meldingen en klachten over gedwongen arbeid. De uitvoeringscommissie HEG heeft zeven van zulke meldingen in instellingen van Zusters van De Goede Herder behandeld en alle zeven erkend en in aanmerking laten komen voor een financiële tegemoetkoming. Vijf van de zeven toekenningen zijn ná 27 mei 2014 gedaan. De twee overige kort daarvoor. De door mevrouw Knibbe genoemde uitspraak staat haaks op de uitspraken van de uitvoeringscommissie HEG.

Bron

Op 2 juni 2014 stuurde mevrouw Knibbe een verslag van dit gesprek naar de deelnemers aan dit gesprek (bijlage 2).

Wat beweert Dohmen?

Deetman heeft dwangarbeid niet onderzocht

Was is feitelijk juist?

Deetman heeft voor het onderzoek naar geweld een definitie gehanteerd waar gedwongen arbeid onder viel. In zijn onderzoek/artikelen in NRC Handelsblad doet Dohmen het voorkomen dat in het onderzoek naar geweld dat onder leiding van Deetman werd uitgevoerd stelselmatig gedwongen arbeid en kinderarbeid niet zijn onderzocht. Des te opvallender is dat Dohmen gebruik maakt van een bron die vijf jaar eerder uitgebreid (en veel uitgebreider dan in het onderzoek van Dohmen) voorkomt in het onderzoek onder leiding van Deetman naar geweld. Het betreft de Haagse onderwijzer D.J. Broekhuizen die tientallen getuigenverklaringen publiceerde over mishandeling en verwaarlozing, zoals in De Goede Herder in Arnhem. In een deelonderzoek dat tegelijk met het hoofdonderzoek over geweld werd gepubliceerd nam een van de deelonderzoekers de bevindingen van Broekhuizen als uitgangspunt voor haar onderzoek naar ‘mishandeling, verwaarlozing, straf en geweld in pedagogische relaties in de twintigste eeuw’.

Een eerste verwijzing naar de publicaties van Broekhuizen over excessen is overigens te vinden in het onderzoeksrapport van de commissie-Deetman dat op 16 december 2011 werd gepubliceerd.

Deetman heeft in de zomer van 2010 een melding gedaan bij het College van Procureurs-Generaal over misstanden in het internaat Sint Joseph in Heel waar door daar geplaatste jongens kinderarbeid werd verricht voor Philips. Er was sprake van een opmerkelijk hoog aantal sterfgevallen. Naar aanleiding van zijn melding heeft het Openbaar Ministerie een uitgebreid onderzoek gedaan waarvan de uitkomsten op 28 juni 2012 publiek zijn gemaakt.

Conclusie: de feiten spreken voor zich en wat Dohmen schrijft vindt geen grond in de feiten.

Bron

Blz. 298

Blz. 305

Blz. 104

  1. Andere onjuistheden in het onderzoek van Dohmen

Bewering van Dohmen

“In 2014 kreeg [mevrouw K.] via de tweede commissie Deetman 4.000 euro schadeloosstelling”.

Feit

Mevrouw K. is een van de geïnterviewden in het onderzoek van Dohmen. De ‘tweede commissie Deetman’ was de onderzoeksorganisatie die het onderzoek deed naar geweld. Deze onderzoeksorganisatie publiceerde haar onderzoek op 11 maart 2013 en werd vervolgens ontbonden. De onderzoeksorganisatie regelde geen schadeloosstellingen.

Conclusie: het onderzoek van Dohmen is op dit punt feitelijk onjuist.

Bewering van Dohmen

De schadeloosstelling van 4.000 euro was “voor het psychisch en fysiek geweld dat haar is aangedaan in eerdere kindertehuizen”.

Feit

Op 26 juni 2014 heeft mevrouw K. van de commissie HEG een brief gekregen waarin staat: “U heeft zich op 7 juni 2013 gemeld bij het Meldpunt Seksueel Misbruik RKK (voorheen Hulp & Recht). Uw melding gaat over het geestelijke en lichamelijke geweld en de vernederingen die u heeft ondervonden tijdens uw verblijf in onder meer [onderstreping toegevoegd] het kindertehuis St. Anna in Breda en het observatiehuis te Mook.”

De instellingen van de Zusters van De Goede Herder in Tilburg en Almelo waren het zesde of zevende instituut waarin de op zesjarige leeftijd uit huis geplaatste mevrouw K. verbleef. Met mevrouw K. heeft met de commissie HEG op 28 april 2014 gesproken.

Conclusie: Dohmen doet het voorkomen dat de commissie HEG geen oog had voor wat mevrouw K. is aangedaan in instellingen van de Zusters van De Goede Herder. De commissie HEG toetste uitsluitend de authenticiteit van wat mevrouw K. heeft gemeld en daar hoorde nadrukkelijk ook bij wat haar is aangedaan in twee instellingen van de Zusters van De Goede Herder.

Bewering van Dohmen

“De aard en omvang van deze misstand is nooit onderzocht. Niet door kerkhistorici en niet door de commissie-Deetman.”

Feit

De commissie-Deetman deed onderzoek naar misstanden sinds 1945. Redacteur Dohmen naar misstanden sinds 1860. In zijn onderzoek gebruikt Dohmen voornamelijk bronnen van voor 1940. Uit getuigenissen van vijf lotgenoten met wie hij heeft gesproken blijkt dat er ook tussen 1950 en 1970 “nog dwangarbeid was en de leerplicht soms ontdoken werd”.

Voor wat de commissie-Deetman wordt verweten door Dohmen, wordt naar hierboven verwezen.

Wat de kerkhistorici betreft doet Dohmen in zijn onderzoek geen nadere mededelingen. In het uitgebreide onderzoek naar vrouwelijke religieuzen in Nederland van Annelies van Heijst, Marjet Derks en Marit Monteiro (2010) komt een deel voor over de opvang van kinderen en jongvolwassenen met problemen door de Zusters van De Goede Herder waarin kritiek wordt geuit op de pedagogische aanpak van de zusters en wordt verwezen naar het “schrijnende beeld” dat uit de film The Magdalenen Sisters naar voren komt (blz. 380-385).

Bewering van Dohmen

Dohmen verwijst naar het boek ‘Stil in mij’ van Danielle Hermans en Esther Verhoef waarin het verhaal van mevrouw Keepers is opgetekend. Volgens Dohmen zou het boek vorig jaar (2017) zijn verschenen.

Feit

Het boek ‘Stil in mij’ is in mei 2014 verschenen.

Bewering van Dohmen

Dohmen wijst erop dat in België al in 1913 berichten waren over “slavenarbeid in Evere, Leuven en Namen”. Hij verwijst naar een in 2012 verschenen “onderzoek aan de Universiteit Gent naar de opvang en zorg voor ‘arme wezen’ in de negentiende eeuw met als conclusie: “Deze congregatie, net als verscheidene andere, maakte van deze kinderarbeid hun hoofdarbeid. Kinderen (al dan niet weeskinderen) werden in de industrie van de tapijten, de lingerieverwerking en de was- en strijkateliers ingelijfd”.

Feit

De aangehaalde studie is de masterproef van Gerd Vandenberghe die de opvang en zorg van ‘arme wezen’ in de stad Ronse in de negentiende eeuw heeft onderzocht en daarop in 2012 zijn mastertitel heeft verkregen. De door Dohmen genoemde conclusie komt niet voor in het hoofdstuk met conclusies (blz. 117-121), maar is een bewerkt citaat in het (derde) hoofdstuk in het feitelijke deel van het onderzoek (blz. 63). Het citaat is afkomstig uit een studie die in 1913 verscheen. Dat in 2012 een nieuw onderzoek zou zijn verschenen is feitelijk onjuist.

 

Bijlage 1

Bericht aan de hoofdredacteur NRC Handelsblad van 24 mei 2018

Het onderstaande bericht is aan de hoofdredacteur van NRC Handelsblad voorgelegd naar aanleiding van het hoofdredactioneel commentaar van NRC Handelsblad van 24 mei 2018.

 

Van: Bert Kreemers

Onderwerp: Hoofdredactioneel commentaar NRC Handelsblad 24 mei 2018

Datum: 24 mei 2018 19:12:19 CEST

Geachte heer Vandermeersch

Het is mij bekend dat uw krant hecht aan het scheiden van feiten en meningen. Graag attendeer ik u op het volgende.

U stelt in het hoofdredactioneel commentaar van heden, 24 mei: ‘De opmerking van P. Kalbfleisch, lid van de commissie-Deetman die het onderzoek deed naar seksueel misbruik en geweld in de Katholieke Kerk, dat ‘niemand van werken ooit slechter is geworden’, is ronduit een belediging en een blijk van hetzelfde paternalisme dat de uitbuiting in deze gestichten ooit mogelijk maakte’. En verderop: ‘Het wekt tenminste verwondering dat de commissie-Deetman die misbruik en geweld binnen de Katholieke Kerk onderzocht, deze kwestie niet bij het onderzoek wilde betrekken’.

De feiten:

  1. Volgens de publicatie van 23 mei in NRC Handelsblad vroeg het Vrouwenplatform Kerkelijk Kindermisbruik (VPKK) ‘Deetman ook de dwangarbeid te onderzoeken, maar volgens de commissie viel dwangarbeid niet onder de definitie van ‘geweld’. VPKK-bestuurslid Annemie Knibbe: ‘Commissielid Pieter Kalbfleisch zei het zo: ‘Van werk is nog nooit iemand slechter geworden’.’ Aldus uw krant. Deze aan de heer Kalbfleisch toegeschreven uitspraak komt niet voor in het verslag dat mevrouw Knibbe maakte van het bewuste overleg op 27 mei 2014.
  2. Uit eerder overleg met mevrouw Knibbe op 18 februari 2014 blijkt dat afgesproken is klachten over kinderarbeid in het kader van de regeling hulp, erkenning en genoegdoening voor geweld te behandelen. Op dat moment waren twee meldingen bekend. Met een van de klagers is gesproken. De suggestie van mevrouw Knibbe dat de heer Kalbfleisch misstanden bij kinderarbeid zou negeren strookt evenmin met de gevolgde en gezamenlijk afgesproken aanpak bij de behandeling van klachten daarover.
  3. In 2014 waren de onderzoeken onder leiding van de heer Wim Deetman reeds meer dan een jaar beëindigd: het eerste onderzoeksrapport verscheen op 16 december 2011, het tweede op 11 maart 2013.
  4. Waar de commissie-Deetman tijdens haar onderzoek op misstanden en strafbare feiten is gestoten, heeft zij dit aan het Openbaar Ministerie gemeld. Dit heeft in 2011 wat het jongensinternaat Sint Joseph in Heel betreft geleid tot een uitgebreid justitieel onderzoek van het Openbaar Ministerie. Jongens die in dit internaat verbleven verrichtten werk voor Philips. In de jaren vijftig was sprake van een opvallend hoog aantal overleden jongens.
  5. De commissie-De Winter doet sinds 2016 onderzoek naar geweld in de jeugdzorg, met inbegrip van gedwongen arbeid in de jeugdzorg. Deze commissie kent een meldpunt voor meldingen en klachten daarover.

In reactie op een verzoek van uw redacteur om commentaar door de heer Kalbfleisch liet een medewerker hem weten tevergeefs te hebben gepoogd met de heer Kalbfleisch contact op te nemen: ‘Hij is in het buitenland en slecht bereikbaar’. Geen vrijbrief, lijkt me, om kritiekloos mee te gaan in beweringen van derden en zo opnieuw de onderzoeken onder leiding van de heer Deetman in opspraak te brengen. Mocht u in de feiten aanleiding zien uw berichtgeving en hoofdredactionele commentaar te herzien, dan verneem ik dat uiteraard graag.

Ter voorkoming van verdere verspreiding van de onjuistheden in uw berichtgeving en hoofdredactioneel commentaar zal ik mijn reactie in afschrift ter kennis brengen van de ministers van Justitie en Veiligheid en voor Rechtsbescherming, evenals aan de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van de Tweede Kamer. Ik zal de Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen informeren. Ook zal ik mijn reactie plaatsen op de website voormaligonderzoekrk.nl.

Namens de heer Deetman,

Met vriendelijke groet,

Bert Kreemers,

voormalig secretaris van de Onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk

[1] Dit e-mailbericht is op 24 mei 2018 om 15.13 uur doorgezonden naar Deetman en medewerkers van de voormalige onderzoeksorganisatie.

Jaarverslag van de Stichting Archief Commissie-Deetman 2017

Op 26 januari 2016 is de Stichting Archief Commissie-Deetman opgericht. Het doel van de Stichting is het bijeenbrengen, beheren en bijeenhouden van het archief van de ‘Commissie onderzoek naar seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk’, ook wel genaamd de ‘Commissie-Deetman’.

Hierbij presenteert de Stichting het jaarverslag 2017. U kunt het jaarverslag via deze link bekijken.

RKK goed op weg maar tijd dringt en opstelling aantal ordes schiet tekort

DEN HAAG – 28 september 2012 – De Rooms-Katholieke Kerk (RKK) maakt werk van en is ook goed op weg met de uitvoering van de aanbevelingen van de voormalige onderzoekscommissie naar seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK. Het tempo waarin dit gebeurt verschilt. Toon en inhoud van de gesprekken tussen slachtoffers en vooral een aantal ordes en congregaties zijn dikwijls onvoldoende open en tegemoetkomend, soms eerder confronterend. Het jaar 2013 wordt cruciaal voor de behandeling van klachten van en genoegdoening aan misbruikslachtoffers. Dit stelt de (voormalige) commissie onder voorzitterschap van drs. W.J. (Wim) Deetman vast in haar eerste periodieke (monitor)rapportage.

Met deze periodieke monitor volgt en beoordeelt de commissie de uitvoering van haar aanbevelingen door de verantwoordelijke bestuurders. Deze aanbevelingen maken deel uit van haar eindrapport dat de commissie in december 2011 publiceerde. De monitor richt zich op de aanbevelingen die in hoofdzaak het functioneren van de onafhankelijke Stichting Beheer & Toezicht betreffen. Ook betrekt de commissie in deze rapportage de opstelling en inzet van de RKK bij erkenning van het seksueel misbruik, hulp en genoegdoening aan en nazorg van slachtoffers, als ook bij het tegengaan van dit misbruik.

De commissie baseert zich bij de monitorrapportage onder andere op verantwoordingen van de Rooms-Katholieke Bischoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR), verslagen van de Stichting Beheer & Toezicht en de koepelorganisatie van lotgenotengroepen KLOKK, gesprekken met andere betrokken geledingen en individuele signalen.

Met haar onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek bracht de commissie aard, omvang en omstandigheden van, als ook de verantwoordelijkheden voor seksueel misbruik van minderjarigen in de RKK in Nederland in beeld, evenals de gevolgen hiervan voor slachtoffers en hun omgeving. Dit onderzoek in opdracht van de RK bisschoppenconferentie en de KNR ging in augustus 2010 officieel van start.

2013

In 2013 moet volgens de commissie in elk geval over de meeste tot nu toe ingediende klachten een uitspraak zijn gedaan die recht doet aan wat de klagers naar voren brachten. De commissie realiseert zich dat dit veel vergt van Meldpunt en Compensatiecommissie. Voor dit doel adviseert de commissie een extra inspanning vanuit de Stichting Beheer en Toezicht en ook een adequate betrokkenheid van de vertegenwoordiging van slachtoffers bij het functioneren van het Meldpunt.

De commissie hecht belang aan het functioneren van Meldpunt, Compensatiecommissie en Klachtencommissie, evenals aan de regelmatige en constructieve contacten die beide commissies onderhouden met KLOKK. Ook benadrukt de commissie het belang van de 2 geboekte vooruitgang bij totstandkoming van een ‘loket’ voor slachtoffers die zich eerder bij de commissie-Samson en haar meldden: ‘Hiermee zijn de drie pijlers van het nieuwe Meldpunt inzake Seksueel Misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk in bedrijf’, aldus de commissie.

Bij overname van uitspraken van de Klachtencommissie en het invulling geven aan uitspraken jegens klagers geldt het inmiddels grondig herziene en verbeterde juridische kader. Maar, signaleert de onderzoekscommissie: ‘De menselijke maat moet ook meewegen en dat vraagt om een opstelling die veel verder reikt dan het stipt volgen van juridische procedures’.

Positief is de commissie ook over het functioneren van de Contactgroep, opgericht naar aanleiding van één van haar aanbevelingen. De Contactgroep die als aanspreekpunt dient voor slachtoffers, moet in voorkomende gevallen oplossingen bieden voor knelpunten in de behandeling van klachten. Medewerking van ordes en congregaties van de KNR aan deze Contactgroep verdient verbetering, meent de commissie.

Zonder gebakkelei

Bepaald minder positief is de commissie over de toon en inhoud van gesprekken tussen de RKK en misbruikslachtoffers. Ze neemt vooral bij een aantal ordes en congregaties een soms confronterende houding waar, terwijl ‘het tegendeel, een open en tegemoetkomende houding, eerder vanzelfsprekend hoort te zijn’. De commissie geeft hierbij aan dat ze vanaf het begin van haar onderzoek in de benadering van slachtoffers een merkbaar verschil waarnam tussen bisdommen en een aantal ordes en congregaties, goede voorbeelden daargelaten. ‘De noodzakelijk gebleken inhaalslag is te weinig en verloopt veel te moeizaam.’

Ook constateert de commissie dat slachtoffers in de bisdommen beter en makkelijker toegang hebben tot contact, afhandeling, genoegdoening en nazorg dan bij ordes en congregraties, al dan niet verenigd in de KNR. De commissie roept de betreffende ordes en congregaties via de KNR op hun ‘verdeelde en gefragmenteerde aanpak van de oplossing van het leed van zo velen in te ruilen voor een op solidariteit en voortvarendheid berustende oplossing van de klachten en meldingen’.

De commissie vervolgt: ‘Zo’n voortvarende en aansprekende aanpak is nodig om de problemen ter zake het seksueel misbruik en de nasleep daarvan op te lossen. Dat moet zonder reserve en gebakkelei over aansprakelijkheid en juridische neteligheden worden geregeld. Binnen het raamwerk van de Stichting Beheer & Toezicht of langs andere, meer pragmatische wegen, zoals mediation’.

Taskforce Kindermishandeling en seksueel misbruik, advies KNAW over rol psychiatrie

Aan enkele andere aanbevelingen van de onderzoekscommissie gaf de regering gevolg. Minister van Veiligheid & Justitie mr I.W. (Ivo) Opstelten stelde de zogeheten Taskforce Kindermishandeling en seksueel misbruik in. De taskforce staat onder voorzitterschap van de Amsterdamse burgemeester mr E.E. (Eberhard) van der Laan. Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) drs M.L.L.E. (Marlies) Veldhuijzen van ZantenHyllner vroeg president prof. dr J.C. (Hans) Clevers van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) haar te adviseren over de samenstelling van een groep wetenschappers voor een onderzoek naar de rol van de psychiatrie. De instelling van deze groep is op korte termijn voorzien.